Pensioenmogelijkheden voor dga en zzp’er

In het geweld van de mega-operatie met de overgang van € 1.500 miljard pensioengeld naar het nieuwe pensioenstelsel, is de pensioentoekomst van de kleine MKB-ondernemer publicitair ondergesneeuwd. Maar ook voor deze groep zijn er belangrijke pensioenwijzigingen op komst. En juist in deze populatie is het aandeel dat geen oudedagsvoorziening opbouwt het hoogste.

Hoe gaat de Wtp helpen deze zogenoemde witte vlekken te verminderen? In dit artikel vergelijk ik de nieuwe fiscale en juridische kaders in de tweede en derde pijler en wat dit betekent voor de toekomstige pensioenopbouw van de populatie zelfstandige ondernemers. Ik ga achtereenvolgens in op de implicaties voor de dga en voor de zzp’ers.

Dga pensioenkader

In de huidige pensioenwet (PW) kwalificeert de dga niet als werknemer. Dat betekent dat hij eigenlijk niet mee kan liften met een verzekerde collectieve pensioenregeling voor zijn werknemers. Ook bij bedrijfstakpensioenfondsen zijn dga’s in de regel uitgezonderd van verplichte deelname aan de regeling in de betreffende sector.

In de tweede pijler blijft dan over dat de dga is aangewezen op een individuele pensioenverzekering met een loonbelastingclausule. En omdat het adagium “massa is kassa” ook vigeert bij veel pensioenverzekeraars, zijn veel verzekeraars gestopt met het aanbieden van (in hun ogen onrendabele) dga-pensioenproducten. Een PPI mag alleen PW-regelingen aanbieden en kan en mag dus geen dga’s bedienen.

Onder de Wtp zal deze situatie naar verwachting niet wezenlijk anders zijn; de dga valt opnieuw buiten de definitie van “werknemer”. Dat is eigenlijk best vreemd en ongewenst. Het nieuwe stelsel beoogt een arbeidsvormneutraal pensioenkader te bieden, maar kennelijk is die inclusiviteitsgedachte niet aan de dga besteed. Het zal betekenen dat de huidige praktijk van een zeer schaars aanbod van individuele dga-pensioenproducten zal blijven bestaan.

Dga met pensioenpolis

Veel dga’s zijn na de afschaffing van het pensioen in eigen beheer gestopt met pensioenopbouw. Er zijn niettemin ook dga’s die ervoor gekozen hebben pensioen op te bouwen bij een verzekeraar middels een oplopende premiestaffel. De regeling zal in beginsel ook over moeten naar de nieuwe leeftijdsonafhankelijke gelijkblijvende premieregeling. Hiervoor geldt hetzelfde als voor “gewone” werknemers. Als enige deelnemer aan een individuele pensioenregeling kan de dga krachtens overgangsrecht als bestaande werknemer nog gebruik blijven maken van de oude stijgende premiestaffel, mits de verzekerde regeling al bestaat op 1 juli 2023. Als de dga nog een traditionele verzekering heeft met de verzekering van een beoogd pensioen in euro’s, dan zal die regeling uiterlijk op 1 januari 2028 moeten worden omgezet in een premieregeling nieuwe stijl. Wat ook nog mag is dat de verzekerde uitkeringsovereenkomst wordt omgezet in een premieregeling met stijgende staffel “oude stijl”. Ook dat moet voor 1 januari 2028 gebeurd zijn.

Eigen beheer pensioen

Voor dga’s die premievrij pensioen in eigen beheer hebben, heeft de Wtp geen gevolgen en blijft het huidige fiscale kader na de uitfasering in 2017 van toepassing. Het nieuwe fiscale kader is op zich geen beletsel als de dga het oude eigen beheerpensioen nog wil overdragen aan een professionele verzekeraar. Dat zal nog wel van pas komen als de activiteiten in de BV zijn gestopt en er alleen nog een levenslange pensioenverplichting op de balans staat. Omdat deze verplichting aan opheffing van de BV in de weg staat zal de pensioenverplichting eerst afgestort moeten worden. Zo’n pensioenverzekering tegen koopsom bevat geen toekomstige pensioenopbouw en raakt daarmee de Wtp niet.

 Nieuwe fiscale kaders lijfrente

Wat houdt dat in?

  • De fiscale premieruimte gaat van 13,3% naar 30% van de premiegrondslag, gelijk aan de tweede pijler maar zonder de 3% compensatieruimte. Waar momenteel de jaarruimte alleen openstaat voor degenen die nog geen AOW hebben, zal het benutten van jaarruimte verruimd worden tot 5 jaar na AOW.
  • De AOW-franchise in de jaarruimte wordt gelijk aan de minimale AOW-franchise in de tweede pijler. Dat betekent een stijging van de aftrekdrempel van momenteel € 13.646 naar € 16.322. In de derde pijler kennen we geen deeltijdfranchise en dat blijft zo.
  • Het maximale bedrag van de reserveringsruimte bedraagt nu maximaal 17% van de premiegrondslag, en maximaal € 8.065. Voor 57-plussers die binnen 10 jaar AOW krijgen is dat maximaal € 15.922 per jaar. Deze inhaal van niet benutte jaarruimte gaat naar € 38.000 en de termijn gaat van 7 naar 10 jaar. Dat is nog steeds beperkter dan bij echt pensioen, maar dat is het gevolg van budgettaire beperking.
  • Voor lijfrenten gelden momenteel wettelijke termijnen voor aankoop van een lijfrente na expiratiedatum. Voor pensioen geldt een redelijke termijn voor de omzetting van pensioenkapitaal van zes maanden. Onder de Wtp gaat voor pensioen dezelfde wettelijke termijn gelden als nu voor lijfrente; bij in leven zijn kan tot 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar van expiratie een uitkering worden aangekocht. Bij expiratie als gevolg van overlijden is dat 31 december van het tweede kalanderjaar volgend op het jaar van overlijden.
  • In de huidige jaarruimte wordt de aftrekmogelijkheid beperkt door de factor A: de pensioenaangroei in de tweede pijler, vermenigvuldigd met 6,27. Deze factor A wordt jaarlijks door de pensioenuitvoerder verstrekt. Voor premieregelingen met een oplopende staffel moet de pensioenaangroei fictief worden bepaald. Dat gebeurt nu aan de hand van een tabel met een contante waarde factor die afloopt met het ouder worden, per leeftijdscategorie van 5 jaar. Omdat in het nieuwe stelsel er alleen nog maar leeftijdsonafhankelijke premies in een premieregeling zijn, wordt de aftrek voor deelname aan een pensioenregeling simpelweg bepaald door premie-inleg in de tweede pijler. Die trek je af van de 30% jaarruimte in de derde pijler.
  • In eerste instantie zou er geen plaats meer zijn voor de tijdelijke oudedagslijfrente, met een uitkeringsduur vanaf 5 jaar en een maximum uitkering per jaar van € 24.168. Bij pensioen bestaat een dergelijke tijdelijke uitkering immers ook niet. Vanuit de pensioenpraktijk werd er op aangedrongen om de tijdelijke oudedagslijfrente onder de Wtp te behouden en dat is gelukt. En dat is ook goed nieuws voor alle oudedagsverplichtingen in de eigen BV, waarvan de wens bestaat om deze te zijner tijd af te storten in een tijdelijke lijfrente met een uitkeringsduur van minder dan 20 jaar.
  • Er komt geen hoog:laag lijfrente, zoals dat bij pensioen mogelijk is binnen 100:75 bandbreedte. Een lijfrente moet dus nog steeds vast en gelijkmatig zijn. Door het combineren van een tijdelijke lijfrente gelijktijdig met het ingaan van een levenslange lijfrente als basisvoorziening, kan evenwel een soort hoog:laag effect worden gecreëerd.
  • Lijfrenten kunnen op AOW-leeftijd voor 10% worden afgekocht. Dat geldt overigens ook voor achtergebleven pensioen in eigen beheer en dga’s met een verzekerde pensioenregeling, maar niet voor de ODV.
  • De huidige stakingslijfrentefaciliteit blijft bestaan, in tegenstelling tot de oudedagsreserve-faciliteit die per 1 januari 2023 is afgeschaft.
  • De vraag is nog hoe de fiscale jaarruimte moet worden berekend in 2023, nu halverwege het jaar de nieuwe regels van kracht worden. De bedoeling is dat de nieuwe jaarruimte tot 30% met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 gaat gelden.
  • De jaarruimte en het niet benutte deel daarvan in de reserveringsruimte over jaren vóór 2023 blijft onveranderd. Het nieuwe 30%-maximum van de premiegrondslag kent dus geen terugwerkende kracht. Alleen de inhaaltermijn wordt 10 jaar in plaats van 7 jaar.

Netto pensioen en netto lijfrente

Sinds de maximering van het fiscaal pensioengevend loon in 2015, is er een faciliteit voor “ton-plussers” om over de top van het salaris (thans: vanaf € 128.810) te sparen in de tweede of derde pijler. Soms wordt die netto faciliteit door werkgevers aangeboden om extra nabestaandenpensioen te verzekeren, ter compensatie van het aftoppen van het pensioengevend salaris. Door de Raad van State was voorgesteld om de regeling van netto lijfrente en netto pensioen af te schaffen. Toch houdt het kabinet deze regelingen in ere. Onder de Wtp en het nieuwe fiscale kader wordt dat dan een vlakke leeftijdsonafhankelijke (netto)premie.

Tweede of derde pijler?

Met de fiscale verruiming zal de opbouw van een oudedagsvoorziening van de dga in de praktijk steeds vaker plaatsvinden in de derde pijler, in plaats van een arbeidsvoorwaardelijke pensioentoezegging in de tweede pijler. Dat is veel bewerkelijker en complexer dan een lijfrente in de privésfeer waarbij de aftrek plaatsvindt in de aangifte IB. De bancaire lijfrente is overigens geen volwaardige vervanger van een pensioenverzekering. De lijfrente focust alleen op de opbouw van een (beleggings)kapitaal op pensioendatum, waarvan op dat moment een uitkering van OP en PP kan worden aangekocht. Het bancaire karakter brengt met zich dat er geen verzekeringselement in zit. Het vooroverlijdensrisico zal dus daarnaast als extra risicoverzekering moeten worden afgesloten, tenzij er geen behoefte zou zijn aan dekking van partner- en wezenpensioen.

Overigens kan er bij een lijfrente fiscaal ook worden doorbelegd in de uitkeringsfase, net als bij pensioen. Veelal gebeurt dat beleggen in indextrackers (ETF’s) met verschillende risicoprofielen naargelang de risicobereidheid van de gerechtigde.

Zelfstandig ondernemers

De groep zelfstandig ondernemers onderscheidt zich van dga’s omdat zij natuurlijke personen zijn en geen werknemers die in dienst zijn van een rechtspersoon. In de regel is de zelfstandig ondernemer voor zijn oudedagsvoorziening aangewezen op de lijfrente in de derde pijler. De verruimingen in het fiscale kader van de lijfrente zijn dus cruciaal voor zzp’ers om een betere oudedagsvoorziening op te kunnen bouwen. Dat is ook welkom voor IB-ondernemers die in het verleden met dotaties aan de oudedagsreserve op termijn een lijfrentevoorziening wilden gaan treffen. Zoals eerder opgemerkt is vanaf 2023 die route naar een persoonlijk pensioen afgesneden. Alleen de reeds opgebouwde oudedagsreserve mag nog ooit worden afgestort in een lijfrente.

Voor bepaalde beroepsgroepen zijn er in de tweede pijler beroepspensioenregelingen in het leven geroepen, en daarvoor kan deelname door de minister verplicht gesteld worden. Denk aan medisch specialisten, huisartsen, fysiotherapeuten, notarissen en apothekers die hun beroep uitoefenen in een maatschap of v.o.f. en dan dus geen werknemer zijn. Deze beroepspensioenfondsen zullen hun regeling uiterlijk op 1 januari 2028 moeten omvormen naar een premieregeling met een gelijkblijvend percentage.

Vrijwillige voortzetting pensioen bij ex-werkgever

Dan zijn er nog zzp’ers die voorheen in loondienst waren en in hun vorige pensioenregeling gebruik konden maken van vrijwillige voortzetting na beëindiging van de dienstbetrekking. Omdat zzp’ers niet alleen het werknemersdeel in de pensioenpremie maar ook het werkgeversdeel zelf moeten doorbetalen, vinden de meesten dat te duur. Bedenk daarbij dat veel zzp’ers – generaliserend gesteld – helemaal niet bezig (willen) zijn met pensioen en de verdiende euro’s liever meteen uitgeven in plaats van opzij te leggen voor de oude dag.

Experiment bij pensioenfondsen

Het kabinet en de sociale partners willen dat zelfstandigen meer pensioen gaan opbouwen. Op grond van een experimenteerbepaling in de Pensioenwet hebben pensioenfondsen de mogelijkheid gekregen om zelfstandigen vrijwillig te laten deelnemen aan een pensioenregeling van hun bedrijfstak. Dat mag dezelfde regeling zijn als de regeling voor werknemers, maar het pensioenfonds mag ook een afwijkende collectieve regeling optuigen, speciaal voor zelfstandigen. De premies zijn dan fiscaal aftrekbaar. Minister Schouten wil de regeling na een periode van 5 jaar laten evalueren, zo staat in het ontwerpbesluit. Als de experimenten niet worden omgezet in een wettelijke regeling, dan stopt de pensioenopbouw bij het fonds. De zelfstandige kan zijn pensioenpotje dan laten overdragen naar een lijfrenterekening.

Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering

Het is bekend dat weinig zelfstandigen een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) afsluiten, ongeveer één op de vijf. Dat vinden ze te duur of ze denken andere voorzieningen voorhanden te hebben als ze niet meer kunnen werken. Een verplichte AOV voor zelfstandigen is onderdeel van het Pensioenakkoord van 2019. In maart 2020 hebben de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid in overleg met enkele zelfstandigenorganisaties geadviseerd over de invulling van de verplichte verzekering. Het moet betaalbaar en toegankelijk worden en ook dga’s zonder personeel en beroepsbeoefenaren zouden hieraan moeten deelnemen. Gedacht wordt aan uitkering van 70% van het laatstverdiende inkomen van de zelfstandige, waarbij het inkomen verzekerd is tot een maximum van circa € 30.000 per jaar. Hoe dat er precies uit gaat zien is nog niet bekend. Zzp’ers mogen ook zelf een andere AOV afsluiten of misschien hebben ze die al. Minister Van Gennip (SZW) verwacht een wetsvoorstel in het voorjaar van 2024 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Zie ook dit eerdere artikel in Pensioen Vanmorgen.

Conclusies

De laatste jaren zien we dat steeds meer financiële instellingen zich richten op “pensioenoplossingen” in de derde pijler in de vorm van een bancaire lijfrente en met een keuze voor beleggen. Die trend zal zich verder versterken omdat het ruime fiscale pensioenkader van de tweede pijler in hoofdlijnen in de derde pijler terugkomt en individueel beleggen voor iedere pensioendeelnemer onder de Wtp praktijk wordt.

De vorming van een oudedagsvoorziening zal voor een dga naar verwachting vaker overeenkomen met die van zzp’ers, die al verplicht waren aangewezen op lijfrenten en die ook een extra fiscale stimulans krijgen om een oudedagsvoorziening te vormen. Al met al zijn er genoeg aanmoedigingen onder het nieuwe stelsel om de zelfstandig ondernemers en dga’s iets (meer) aan hun pensioen te laten doen. Zie ook dit eerdere artikel in Pensioen Vanmorgen.

Bron: Theo Willemssen is pensioenfiscalist bij Fiscount.

Delen:

Meer nieuws

Wat is een financiële planning?
Eindejaarstips 2023
Welke verzekeringen heb je als ondernemer nodig?
Dit komt er kijken bij het overnemen van een familiebedrijf
Waar moet je op letten als je onderneming groeit?